INTRODUCTIE


Zingeving is wat mij betreft de meest menselijke bezigheid. Door op intensieve wijze gebruik te maken van taal, symbool en gereedschap onderscheidt de mens zich van het dier. Toch zijn taal, symbool en gereedschap nooit voldoende om onze werkelijkheid volledig te doorgronden en te begrijpen. In de leegte van al dat andere en onbekende bevindt zich, althans naar mijn idee, de oorsprong van alle kunst.

Sinds ik afgestudeerd ben van de academie (zomer 2016) heb ik vele lessen geleerd. En dan niet alleen over kunst en de kunstwereld. Nee, met name over mijzelf in relatie tot anderen. Vaak denk ik: ‘Huh?’ bij veel dingen die anderen vanzelfsprekend lijken te vinden. En dat wat ík eigenlijk heel logisch vind, wordt door anderen weer niet begrepen. Deze continue vertwijfeling, en daardoor verwarring, is onlosmakelijk verbonden met mijn werk. Het is de bron van alle waanzin. Het lijkt erop dat velen bevestiging zoeken, maar ik vraag om ontkrachting: ontkrachting van mijn wereldbeeld, ontkrachting van mijn zelfbeeld. Zo is elk woord, elk beeld een poging om te ontsnappen. Of zelfs om te verdwijnen, mijzelf op te heffen… Ieder werk dat ik tot leven roep, is voor mij een les in sterven.

Het enige wat voor mij belangrijk genoeg is om te verwoorden of te verbeelden is de waarheid. Een waarheid of werkelijkheid waarin ruimte is voor verschil en tegenstrijdigheid, waarin ruimte is voor meerdere waarheden en werkelijkheden. En waarin tegelijkertijd al het andere en onbekende niet wordt uitgesloten.

Ruimte… om werkelijk vrij te kunnen ademen.